Vorige

Volgende

Art. 9 - Aanvang en einde van een periode of van de wedstrijd


9.1.

De eerste periode start, wanneer de bal bij de opgooi van de sprongbal de handen van de scheidsrechter heeft verlaten.


9.2.

Alle overige periodes vangen aan, wanneer de bal ter beschikking staat aan een speler voor een inworp.


9.3.

De wedstrijd kan niet starten, als één van de teams niet met vijf (5) spelers op het speelveld staat, gereed om te kunnen spelen.


9.4.

Voor alle wedstrijden geldt, dat het eerstgenoemde team in het programma (thuisspelend team) recht heeft op de spelersbank en hun eigen basket aan de linkerzijde van de wedstrijdtafel, kijkend naar het speelveld. Echter, als de twee (2) teams het eens zijn, mogen zij van bank en/of basket wisselen.


9.5.

Voor aanvang van de eerste en derde periode mogen de teams inspelen op die helft van het speelveld, waarin de basket van de tegenpartij is gelegen.


9.6.

De teams dienen voor de tweede helft van basket te wisselen.


9.7.

Bij alle verlengingen zullen de teams de wedstrijd op dezelfde baskets voortzetten als in de vierde periode.


9.8.

Een periode, verlenging of wedstrijd eindigt, met het signaal van de wedstrijdklok voor het einde van de speeltijd. Als het bord is voorzien van licht aan de buitenrand, dan heeft het licht voorrang boven het signaal van de wedstrijdklok.

Home